Een transitie is een overgangsfase voor een maatschappelijk systeem. Het betekent dat een complete taartpunt in de samenleving van stand verandert. De grondslag eronder wijzigt dan. Nederland heeft momenteel nogal wat van die fundamentele wijzigingen. Denk aan de diepliggende opgaven in de Zorg, Landbouw&voeding, Energie, Productie&Consumptie, Verkeer&transport, Financiering en bijvoorbeeld Water. Het zijn stuk voor stuk systemen waarvan de grondregels momenteel herschreven lijken te worden na een relatief lange periode van stabiliteit in ontwikkelrichting. Simpelweg omdat we met de huidige systeemvarianten niet de toekomst aankunnen.
Een transitie duurt gerust meerdere decennia. Gaat een maatschappelijk systeem in transitie, dan wijzigt de ontwikkelingsrichting (bijv 'maximaliseren opbrengst per hectare' in de landbouw verliest zijn status als grondwaarde) en komt een scala aan maatschappelijke componenten op een andere stand te staan (product-dienstsystemen, wetten, allianties, heldenverhalen, geschiedsinterpretatie, wetenschapsontwikkelrichting, noem maar op).
Een tijd van transitie vraagt andere competenties van afgestudeerden. De periode van management op basis van eenvoudige en alom onderschreven waarheden is dan voorbij. Het gaat in tijden van transitie veel eerder om visievorming, samenwerking, besluiten of je een ondersteunende of ontwrichtende innovatierichting inslaat, kortom om veel breder bewustzijn, meer causaliteitsinzicht en meeromvattende interventies. Afgestudeerden dienen dan zoekrichtingen en het verkennen van maatschappelijke ontwikkelpaden.
In het onderwijs zou ieder besef moeten hebben welke maatschappelijke lijnen momenteel gewoon dóórlopen (met zogenaamde sustaining ofwel structuurversterkende innovaties, zoals Christensen van Harvard het noemt) en welke op discontinuïteit koersen (met disruptive innovations).
Deze groep is de plaats voor het kruisen van transitiedenken met de vraag wat het onderwijs daarmee aan moet.